2647 resultaten
1474 |
Grote Raad Mechelen E.A. Dossiers dossier 28 (801 oud)
Jaartallenindex
Jan de Brauwere, Gillis Adriaensz en andere leden van de afgezette magistraat te Dordrecht contra Floris Oom Berthoult Lovinsz [Floris Oem, schout, Barthoud Loenisz, schepen], en andere leden van de magistraat van Dordrecht. Bij de laatste interne machtsverschuiving in 1472 was de sinds 1467 te Dordrecht aan de macht zijnde magistraat met haar aanhang ter zijde geschoven. Evenals bij een dergelijke coup in 1462 had ook nu de schout Jacques Pot een grote rol gespeeld. Zij trachtten de oude magistraat op allerlei wijzen te hinderen. Zij eisten opheffing hiervan
1475 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl I dossier 100
Jaartallenindex
Albert heer van Schagen (appellant) contra Johan en Willem van Schagen (geintimeerden). Albert was met zijn broers Johan en Willem in een proces gewikkeld in zake de verdeling van de heerlijkheid Schagen. Beide broers eisten namelijk een buitensporig groot deel van het leen als hun aandeel op. De zaak was voor het Hof van Holland zover gevorderd dat partijen hun schrifturen moesten indienen en dat een enquête zou plaatsvinden. Albert kreeg toen een oproep van Karel de Soute, zijn leenheer, om deze bij zijn veldtocht tegen de stad Neuss te begeleiden. Hij deed dit met een groter aantal manschappen dan hij verplicht was op grond van de groote van zijn heerlijkheid te leveren. Van de hertog ontving hij "lettres d'estat", daar hij onmogelijk bij de behandeling van de zaak aanwezig kon zijn. Deze brieven werden door zijn procureur aan het Hof overhandigd. Niettemin heeft het Hof naar aanleiding van "gesloten" brieven die zijn broers op slinkse wijze van de hertog hadden weten te verkrijgen (en waaraan het in het geheel geen gevolg had behoeven te geven) hem gelast het proces voort te zetten. Tegen deze beslissing ging Albert in beroep bij de Grote Raad van Mechelen, aan wij hij vraagt om het Hof te gelasten het proces op te schorten tot een maand na zijn terugkeer van de veldtocht. Zijn argument zijn: 1) zijn lettres d'estat die open brieven zijn, hebben meer rechtskracht dan de door zijn broers op slinkse wijze verkregen gesloten brieven, 2) de bewering van zijn broers dat de hertog met de verdeling gebaat is (3 leenmannen iplv één) gaat niet op. Indien zij buitensporig grote delen verkrijgen kan Albert niet meer zo dienen als hij nu doet, 3) de haast die zijn broers maken, dients slechts om te verhinderen dat Albert van zijn kant een enquête kan doen houden en de door hem aangevoerde feiten bewijzen
1475 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl I dossier 99
Jaartallenindex
Margriet Jacob Splitersdochter (eiseres) contra inwoners van Calandsoog + Proc. Gen. van Holland (verweerders). Eiseres had van Calandsoog lijfrenten gekocht en betaald, hetgeen blijkt uit een door Dirk Jansz, schout van Calandsoog, bezegelde en door wijlen de heer van Brederode bekrachtigde rentebrief. Verweerders stellen: 1) dat zij nimmer enige betaling van eiseres hebben ontvangen, 2) dat de schout van hen geen machtiging tot het uitgeven van deze rentbrieven heeft ontvangen, 3) dat de door Calandsoog uitgegeven rentebrieven moeten bevatten a) de namen van de rycdom, die geconsenteerd moeten hebben, b) bezegeling door de pastoor en de schout, 4) dat de aan de schout verleende machtiging tot verkoop in de akte moet worden geincorporeerd. Deze bestanddelen ontbreken in de getoonde rentebrief; 5) de bekrachtiging door de heer van Brederode is buiten weten van verweerders geschied. Hiervoor zijn dus de erven van Brederode aansprakelijk. Het is bovendien geen gewoonte dat een heer zich verbindt om dergelijke renten voor zijn onderdanen te betalen. De rentebrief moet dus vervalst zijn. Bijgevoegd zijn daarom twee copiëen van door Calandsoog uitgegeven rentebrieven, twee van 1468-06-12 en een van 1471-11-15
1475-1479 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl I dossier 98
Jaartallenindex
Aernt Spierinc contra Pieter Jacobsz x Alyt van Wyk, eerder weduwe van Pieter van Haeften, gevoegd: de Proc. Generaal van Holland. Alyt van Wyck kwam na de dood van haar man, naar Zeeuws recht, in het bezit van ½ van een huis en landerijen. Na dit goed 3 maanden bezeten te hebben, werd zij er door Aernt Spierinc, die met een dochter van Pieter van Haeften was gehuwd, uit het huis gezet. Bovendien eigende Spierinck zich juwelen en rentebrieven toe. Pieter Jacobsz verkreeg een mandement van de hertog waarbij zijn vrouw Alijt in het bezit werd gehandhaafd, en Aernt tot teruggave werd genoopt. Zaak voor het Hof van Holland. Pieter Jacobsz stelt: 1) volgens Zeeuws recht ontvangt de overlevende ½ van de nagelaten goederen, en Alijt had deze dus niet "vi, clam, aut precario" in haar bezit, 2) hij was wettig met Alyt gehuwd, in de kerk, 3) Spierinck beroept zich op een contract dat tussen de vader van Alyt en Pieter van Haeften zou zijn gesloten, krachtens hetwelk de door Pieter na te laten goederen op een andere wijze zouden worden verdeeld. Daar Alijt hierbij geen party was is dit contract ongeldig. Toen Alyt met Pieter van Haeften huwde was zij al 34 jaar en bovendien was zij reeds meer dan 10 jaar van huis. Het Hof van Holland draagt aan Spierinck op de goederen die hij zich had toegeeigend ter griffie te deponeren. Hij gaat hiertegen in beroep bij de Grote Raad. Hier bij gevoegd o.a: het relaas van de deurwaarder omtrent hetgeen door hem op 24 en 25 Sept. 1475 te Haamstede is geschied, ter uitvoering van het door Pieter Jacobsz verkregen mandement; advocaat van Pieter Jacobsz is Jacob van Alemonde. Sententie van de Grote Raad: 1493-08-22
1478-08-17 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl VII dossier 689
Jaartallenindex
akte waarin Daniel van Loenersloot verklaart met consent van het kapittel van Oudmunster de rechten op Papekop en Diemerbroek over te doen aan Johan van Montfoort (vgl 1535-05-15)
1479-09-04 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl II dossier 100
Jaartallenindex
(datum van de sententie) 1) Johan van Heemstede (appellant) contra Hof van Holland (geappelleerde) en Willem Dieric en Pieter Jehansz le Coustre (of Coistre) geintimeerden; 2) de magistraat van Harlem contra Johan van Heemstede. Twee zaken nauw met elkaar verbonden. De 1e zaak speelt zich af ca 1474 en betreft een geschil tussen Johan van Heemstede ter ener, en Willem Dieric en Pieter Jehansz le Coistre, anderzijds, over gelden die de moeder van Jehan van Heemstede hun schuldig zou zijn (aan Willem Dieric huurschuld). Met machtiging van schepenen van Haerlem lieten zij beslag leggen op enige van zijn goederen, waarover hij beklag deed bij het Hof van Holland. Ambtelijk moest Jan intussen naar Mechelen waar de hertog zich bevond. Tijdens zijn afwezigheid liet zijn eigen procureur hem in gebreke stellen, waarna het Hof de zaak naar het gerecht van Haarlem verwees, en Jan in de kosten veroordeelde. Deze werden buiten Jan om geexecuteerd om 3 weilanden die hem toebehoorden en veel meer waard waren. Jan ging bij de Grote Raad in appel. De Grote Raad verbood verdere handelingen, toch ging Dirc de Potter, procureur van de tegenpartij, als coper van de drie stukken weiland ["de Schietcamp"] er toe over om de bomen om te hakken en de grond aan ongunstige individuen in huur te geven. Hij droeg de grond toen over aan zijn broer Philips de Potter. Onenigheid hierover met Jan, waarme de schepenrechtbank van Harlem, waar Dirk de Potter lid van was, zich mee bemoeide. Deze liet het huis en de goederen van Heemstede in beslag nemen. Jan ging hiervan in beroep bij de Grote Raad. De magistraat van Haarlem ging ook daar in beroep en eiste verwijzing naar het Hof van Holland. Haarlem zegt dat Dirk de Potter de grond door hem gekocht was van zekere Thomas Rombout, een andere schuldeiser van Jan; 2) stukken betreffende het geschil tussen de magistraat van Haarlem en Johan van Heemstede, thans baljuw van Kennemerland (± 1478) [niet belangrijk]
1480~ |
Grote Raad Mechelen E.A. Dossiers dl I dossier 189
Jaartallenindex
Lourijs Heindricsz, uit Delfshaven, contra Coste Jansz. Omstreeks 1480 trouwde Lourijs Heindricxz met een dochter van Coste Jansz. In de huwelijksvoorwaarden werd bepaald dat bij kinderloos overlijden van zijn vrouw hij een zeker bedrag aan zijn schoonvader zou betalen. In 1484 overleed zij kinderloos. Daar Lourijs niet in eens kon betalen aan Coste, gaf hij deze het vruchtgebruik van 20 morgen land bij Delft, onder beding dat hij dit binnen 6 jaar mocht terugkopen voor het nog verschuldigde bedrag van 1200 gld (van 40 gr). Hiervan werd op 1484-10-19 bezegelde brieven gemaakt. Lourijs bood in begin 1489 te betalen, Coste weigerde. De schepenbank van Delft stelde Coste in het gelijk, evenals het Hof van Holland. Bij sententie van 1498-11-09 werd Lourys weer in het ongelijk gesteld, doch hem werd vergund binnen 4 maanden de 20 morgen terug te kopen tegen een koers die eind 1489 te Delft gold. Coste weigerde dit. Hem wordt echter opgedragen dit voorstel te aanvaarden etc
1508 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl III dossier 227
Jaartallenindex
de heer van Brederode contra Josse van Mynne. Ter gelegenheid van het huwelijk tussen dochter van Josse van Myne en Josse, een bastaardbroeder van de heer van Brederode, zou Josse van Mynne aan diens dochter enige stukken land medegeven. De heer van Brederode van zijn kant beloofde aan zijn broer een jaarlijkse rente van 100 nobels. Hij ging later echter met zijn bastaardbroeder een schikking aan, waarbij deze hem een gedeelte van de 100 nobels kwijtschold. Josse van Mynne kwam nu voor zijn dochter op en verkreeg van het Hof van Holland brieven van commissie, waarbij aan de heer van Brederode werd opgedragen de 100 nobels te betalen. De heer van Brederode ging tegen de verlening van de brieven van commissie in verzet en voerde voor het Hof van Holland als exceptie aan dat de dochter van Josse van Mynne zonder toestemming van haar man niet kon procederen, en haar vader daarom in deze kwestie niet namens haar kon optreden. Het Hof verwierp deze exceptie, waarop de heer van Brederode in beroep ging bij de Grote Raad. Daar voert hij aan: 1) de belofte indertijd door hem aan zijn bastaardbroeder gedaan, was mondeling en tijdens diens afwezigheid gegeven, zonder dat zijn broer een behoorlijke procuratie had gesteld. Derhalve had zij geen rechtskracht, 2) indien zij dit wel had, dan is zij door de naderhand getroffen schikking buiten werking gesteld, 3) de kwestie gaat allen hem en zijn broer aan. Diens vrouw en haar vader staan er volkomen buiten. Naderhand schijnt de behandeling van deze zaak door het Hof van Holland te zijn voortgezet of opnieuw aangevangen. De heer van Brederode werd opnieuw veroordeeld, en het Hof verklaarde dat executie kon worden toegepast op de goederen van de heer van Brederode, die in Holland gelegen zijn. De heer van Brederode gaat hiertegen opnieuw in beroep bij de Grote Raad, onder meer aanvoerend dat deze goederen veel meer waard zijn dan het door hem te betalen bedrag
1509-1511 |
Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl I dossier 31
Jaartallenindex
Karel Grenier, Proc. Gen, en Crispyn Jansz [van Boschuysen] ontvanger van de espargne, contra Willem van Boschuijsen, baljuw van Rijnland. De hertog had de heerlijkheid Aarlanderveen c.a, waaronder Vrijhoeven en 14 morgen land in leen gegeven aan jonker Geraerdt van Culemborch, die op zijn beurt de Vryhoeven en de 14 morgen als achterleen aan Ghysbrecht van Raephorst en diens ouders had geschonken. Bovendien had de vader van Van Raephorst ter zake van een som gelds, die Philips de Goede hem schuldig was, consent van hem gekregen om op de Vrijhoeven turf te steken en die te verkopen. Door bepaalde omstandigheden werd deze concessie pas ten tijde van Karel de Stoute geexpedieerd en bezegeld, en wel tbv Gysbrecht van Raephorst zelf. Na de dood van de jonker van Culemborg verviel de heerlijkheid Aarlanderveen weer aan de hertog, die haar eerst nog in leen gaf aan de heer van Vile, en verviel na diens dood weer aan de hertog, die haar bij opbod liet verkopen. Gekocht door Dierick van Boven namens de thesaurier-generaal Roland le Fèvre. Deze betaalde ½ van de koopsom direct, de andere helft te betalen na de levering. Bij de levering deden zich moeilijkheden voor omdat Willem van Boschuysen, die van Gysbrecht van Raephorst de Vrijhoeven en de 14 morgen land had verkregen, weigerde deze af te staan, omdat deze goederen volgens hem niet meer tot de heerlijkheid behooorden. Hij werd deshalve voor het Hof gedaagd. Eisers voeren een 6 tal argumenten aan. Het 6e luidt: toen Gysbrecht indertijd de Vrijhoeven aan Jacop Copier, zwager van Willem van Boschuysen, baljuw van Rynland, had overgedragen, werd deze door de jonker van Culemborg hiermede beleend, waaruit blijkt dat "Vryhoeven" tot de heerlijkheid behoorde