1428-10-22 |

R.A.H. Coll Aanw 203 fol 40-45v/Memoriale Rosa I fol 16v
Jaartallenindex

brief aan hertog Philips gericht door Johan, burchgrave van Montfoort, Johan van Vyanen heer t Noirdeloze en Jan bastairt van Bloijs in zake de dading des camps tussen Jan van Neck aanlegger, an die een zijde, ende here Adriaen van Treslong aan die ander zijde. Jan van Neck zou te Brugge een camp hebben met here Adriaen. De schrijvers van de brief schreven daarop een brief aan here Adriaen om dit te verhinderen, en zij brachten de zaak bij den de hertog die de heer van Egmond en heer Roeland van Utkerke opdracht gaf om zo mogelijk een dading aan te gaan. Als resultaat van hun werkzaamheden deed hertog Philips de geraamde camp teniet en ontsloeg de wederzijdse borgen. Jan van Neck begaf zich dus niet voor de camp naar Brugge, heer Adriaen deed dit echter wel onder voorwendsel dat hem van de dading en het te niet doen van de kamp door de hertog niets bekend was. Schrijvers van de brief zijn over deze gang van zaken zeer gebelgd, en stellen nu dat Jan van Neck die hoewel aanlegger van de camp, zich aan de dading had onderworpen, door een en ander zeer in zijn eer en goede naam is aangetast. Zij schrijven nu aan de hertog dat Jan van Neck in deze zaak geen enkele blaam treft. Eodem die schrijven Heynric here tot Wassenaer, Gillis van Cralingen, ridders, en Jan van der Boechorst, knape, aan den hertog dat zij als bemiddelaars in deze zaak willen optreden uit eigen initiatief en niet op verzoek van Jan Neck (vgl 1428-10-20)