1433-10-29 |

Arch Abdij Egmond Inv no 332
Jaartallenindex

Jan Geryt Minnetienzoonszoon oorkondt dat hij van den abt van Egmond ontvangen heeft tot een onversterfelijk leen een hus, erve ende hofstede dair Geryt Minnitien mijn vader nu ter tijt in woent, mitten halven laen ende een acker an die zuidzijde van de laen, in allen manieren als de geinsereerde brief van den vorigen datum inhoudt, waarbij de abt van Egmond in presentie van zijn leenmannen Jan Boen en Heyman Boudewijnsz oorkondt dat Geryt Minnetienz hem heeft opgedragen zijn huis, erf en hofstede dair hi nu ter tijt in woent mitten halven laen ende een acker an die zuidzijde van die laen, ende is omtrent een achtendel sadinge, ende belent heeft zuid: Trude Reiner Dirxzoonsdochter, noord: Willem Pieter tonnemakerszoon, streckende van den Meer an den Wech. De abt beleent vervolgens hiermede Jan Geryt Minnetienzoon tot een onversterfelijk leen. Te verheergewaden met een Oud Vrancr scilt. Jan Gherytsz verzoekt vervolgens Claes van Adrichem en Jan Boen voor hem te zegelen, daar hij zelf geen zegel heeft

zegel van Claes van Adrichem: een molenrad, links boven vergezeld van een wassenaar, van Jan Boen verloren