1403-02-03 (1402) |

R.A.H. Coll Aanw 100 fol 11
Jaartallenindex

hertog Albrecht oorkondt "want heer Coen van Oosterwyk, ridder, met ons gedadinct heeft van alle breuken ende misdaaden die hij jegens ons en onser heerlicheyt gebruect ende misdaen mocht hebben, daer hij onse brieve of heeft. In den welcken wij hem geoorloft hebben te vercopen alle syne goeden, lien ende eygen, zo waer zij gelegen zyn, ende hem in denselven brieven oock gelooft hebben dat wij de voirs leen ende eygene verlijen souden denghenen die hij die vercoopen. Soe is daeromme bij ons gecomen Jan van Foreest heer Coenen swager met deszelven heeren Coenen besegelde brieve gemechtigt, ende heeft ons opgedragen ende quytgeschouden tot behouff onser liever gesellinnen der hoochgebren vorstinne Vrouwe Margriete van Cleve, hertoginne ende Vrouwe onser lande voors. alle sulcke ambachten en goeden als hierna bescreven staen: 1) dat ambacht van Slooten ende van Oostdorp mit visscherije ende allen synen toebehooren, 2) dat huijs tot Schoten [huis te Cleve] mitten lande daartoe behorende, zuid: Lysbet van Bakenisse met horen kinderen, noord: - , west: die veenwatering [de Delft], oost: die Bredewech, 3) dat Vroengers, alsoo groot en cleyn als heer Coen voirs. dat te hebben plach ende gelegen is an 's Gravendamme. Vrouwe Margriete wordt hier vervolgens mede beleend tot een onversterfelijk leen. Jan verklaart hiervan alinge en wel betaelt te zijn. Willem grave van Oostervant consenteert hierin tbv onse lieve vrouwe en moye (vgl 1434-10-10)

Raden en mannen: die borchgrave van Leyden, heer Gerard van Heemskerk, Philips van den Dorpe