1533-09-05 |
R.A.H. Coll Aanw 117 Caput N.H. fol 282, 283
Jaartallenindex
Karel beleent Jacob Coppier Jacobsz na dode van zijn vader Jacob Coppier Jacobsz met: 1) die heerlicheyt van Schrevelsrecht in hooge-, middele- en lage gerechten, mit thiend, visscherijen, vogelryen etc. Tot een onversterfelijk erfleen; 2) de ambachtsheerschap en dagelijks gerecht van Raetslage [Calslagen ?] met huys, thiende, gifte van kerke, onversterfelijk erfleen; 3) een corentiende te Koudekerk, tot een erfleen; 4) twee weer lands in den ambacht van Koudekerck in t oosteind daer t eeste weer off is nu ter tijt dat 9e weer vanaf de kerk aldaar. Ende dat anderde weer daeraen aen die oostzyde, oost: St Cecilien klooster te Leiden, zuid: die lage Waersche wateringe, west: Gerrit van Hoogwoude, noord: dat Woutambacht. Tot een erfleen binnen aftersusterkind niet te versterven; 5) 5 viertelen haveren houden 40 achtendelen haveren uit onze rentmeesterschap van N.H. Tot een erfleen; 6) een kampken lants daerinne gelegen in den ambachte van Koudekerk in den Hogen Waert, ende geheten is "de Hofcamp", uitgeseijt 1 morgen lants daerinne gelegen dat de paep ende de coster te Coudekerk toebehoort. Tot een onversterfelijk erfleen. Daar Jacob onmondig is, doet mr Cornelis Morsch, advocaat voor den Hove van Holland, de eed voor hem. Op 1516 [!]-06-11 [lees: 1536 ?] doet Jacob zelf de eed
Jacob Adriaensz v.d. Wiele alias Stalpaert, schout van den Hage, Pieter Boll, auditeur v.d. rekenkamer, Willem Pietersz Criep, leenmannen; 1536-06-11~: Cornelis Barthouts, Willem van Criep Pietersz, Nicolaes Pyl, Claes van Damme, Job Janssen