1442-03 (1441) |

Memoriale Rosa dl IV no 221 p 105
Jaartallenindex

brief van s Graven Raad aan de regering van Amsterdam. Bernt Zeerenberch, coopman, wonende te Coppenhaven, en dienaar van de aartsbisschop van Lunnen in Denemarken, klaagt voor de Raad dat hij tot Bergen Noorwegen in een schip behorend te Bremen geladen had "menigerhande droge visch, harnasche, clederen, bier en broot", ter waarde van 384 R gld, om die goederen te verkopen te Bremen of te Deventer op de markt. Hem ontmoeten Willem Vranckenz, van Amsterdam, met een schip van oorlog, waarvan een genaamd Willem Zael, van Amsterdam, reeder of wesen soude. Willem Vrancken bracht schip en lading op naar Amsterdam, waar de goederen werden opgeslagen. Bernt voert aan dat hij zelf geen vijand was en ook niet optrad voor vijanden. De Raad stelt dat Willem Vrancken, scipper, Melis Dircsz, Jan Coppertsz en Pauwels Damenz, quartiermeesters, en Willem Zael als reeder, in het ongelijk, en beveelt teruggave van schip en lading. Gebeurt dit niet dan meg Bernt de goederen en personen aantasten (vgl 1441-11-17)