9 resultaten
1522-05-26 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 41v/Diversorium Galileaconvent
Jaartallenindex
kenlic zij allen luden etc. dat ick Jan Claes Heijnesz van Sibekarspel, poorter der stede van Edam, hebbe gheheeliken opghedraghen etc den cloester van Galilea bij Monikedam: 1) een stucke lants van 2 morgen in den ban van Sibekarspel, ghenoemt die Hornven, belent zuid: die Wise, noord: Albert Semmesoenslant, 2) een deymt lants in een stucke lants ghehieten Bloet, belent mit Pieter Vrericsz ende Claes Jansz ende an die zuydside mit Wouter Pietersz lant in denselven ban, 3) 2 gld sjaars losrenten beleijt van die weesmeesters van Hoern op Jan Jaep Vighen goet binnen Hoern. Jan Claes Heijnesz voorn. zal voortaan kost, klederen en huisvesting in genoemd klooster ontvangen. Hij verzoekt vervolgens Jaep Jansz en Pouwels Pieter Gaels, burghemeesters in Edam, voor hem te willen zegelen, daar hij zelf geen zegel heeft. Op 1517-03-26 soe heeft ontfangen Pieter Claesz peerdecoper van Wognum 30 gld current toebehoerende Lysbeth Jansdochter van Sybecarspel. Hier wordt borch over Jan Jacobsz Vijch te Hoern. In margine: 2 gld int weseboeck te Hoorn
1488-01-04 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 28/Diversorium Galileaconvent Monnikendam
Jaartallenindex
Jan Heijnesz ende Claes Heynesz van Broeck doen kondich ende kenlic dat wij vercoft hebben den broeders van Galileen bij Monikendam twie stucke lants gheleghen in Rietbroeck in den ban van Monikendam, belend zuid, noord, west: die broeders voers, oost, over die Leeck: Jan Heynesz ende Dirc Maechscips ende Ysbrant Jan Lauwerts kinderen. Daar Jan Heynesz ende Claes Heynesz zelve geen zegels hebben, soe hebben wij ghebeden Jan Heynesz ende Claes Claes Jacopsz onsen noem van Monikendam desen brieff over ons te seghelen
1486-11-22 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 28/Diversorium Galileaconvent Monnikendam
Jaartallenindex
scepenen in Monikendam oorkonden dat voer ons ghecomen sijn Claes Claesz, Welmoet Claesdochter ende Neeltgen Claesdochter als ghehele erfnamen ende wesen van Claes Hermisz ende Hilgont sijn huusvrou was zaligher ghedachten, mit die wesevoechden als nu ter tyt wesende Jan Heynsz ende Gheryt Reijerz, en hebben gezamelijk opgedragen aan de broeders van Galilea van St Benedictusoerde biwesten van Monikendam, haer uterdyck genoemt Hilgont Aems uterdijck in die Warinc gheleghen in die ban van Monikendam op die Purmer, belend oost: Joest Jansz lant, west: Hilgont Arijs weduwe met haar kinderen lant, noord: die Purmer, zuid: die dijck. Hier hebben by over ende an geweest Adam Jacopsz ende Lammert Heijnesz, hoer naeste maghen. Opschrift: Hilgont Aems brief van die uterdijck
Jan Jacopsz ende Jacob Claesz, schepenen
1483-06-12 |
G.A. Haarlem Inv I no 1633 fol 127/Cartul H. Geest Haarlem
Jaartallenindex
schepenen in Sybenkerspel en Benickbrueck oorkonden dat Jan Pietersz en zijn zoon Pieter Jansz erkennen verkocht te hebben aan Jacob Thymansz van Haerlem ½ morgen zaetlands, daer Pieter Jansz huijs nu ter tijt op staet binnen den ban van Sybekerspel, daer nu ter tijt naeste lenden of zijn zuid: Jan Heijnesz, noord: Dirrick Jacopsz. Ende noch ½ morgen zaetlants, 2½ hondert zaetlants en 1½ morgen weytlants bij die noortzyde van die 3½ hondert zaetlant voirs. ende noch 2 morgen weytlant after an t zaetlant ende noch 1 morgen lants bij die zuidzijde van dat ½ morgen zaetlant voors. gelegen al tesamen in denzelfden ban voorn, voor Heijn Jansz door an die wech, daer nu ter tijt naeste lenden of zijn zuid: Luijtgen Jansz ende Frederick Pietersz, noord: Maerten Symonsz en Claes Heijcxz, oost: Pieter Pietersz ende Agniese Vechter Heijcxzoons weduwe, an dat westeynde: ......[open]. Jan Petersz voorn. en zijn zoon nemen vervolgens dit land weer in eeuwige huur sjaars om 6 R gld. Doorgehaald: Afgelost door .......... Broersz
Evert Dirricksz en Willem Heinricsz, schepenen, voor hen zegelen Jan Dirricksz en Pieter Jansz voors.
1474-05-10 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 18v/Diversorium Galileaconvent
Jaartallenindex
scout en scepenen in Brouck oorkonden dat Burchman Jan Pieter Heijnesz ende sijn suster Katherijn, quytgescholden hebben aan horen broeder Hilbrant Jan Pieter Heynesz: 1) een stucke lants ghenoemt dat voer Nelleweer half, belend noord: Jacob Jan Melijsz lant, zuid: Claes Volmer, 2) een stucke lants ghenoemt dat Hoeftgen, belend oost: Alijt Jansdochter, west: Jan Pieter Heijne, 3) half Hilkencamp, belend oost en west: Jan Pieter Heynesz, roerende als van hoers vaders erve. Ende ick Hilbrant Jan Pietersz voers. gheve ende gunne ende quytscelle mit mine vrien moetwille die portie van desen lande dat convent in Galileen. Voert soe scelt quyt dat convent van Galileen Hilbrant Jansz voor hem ende voer sijn naecomelinghen voer dese porcien van lande al sijn ander gueden die hi nu ter tijt of hier namels crighen of an sterven mach. In kennisse der waerheyt als wij scepenen nu ter tyt selver gheen zeghel en hebben, soe hebben wij ghebeden Jan Jacopsz onsen scout dat hi desen brief over ons wil bezeghelen. Opschrift: Littera fratris nostri Hilbrandi conversi de Broeck de campis etc
Jan Jacopsz, schout, Pieter Symonsz en Heynric Jansz, schepenen
1441-06-25 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 21/Diversorium Galileaconvent
Jaartallenindex
schepenen in Purmereyndt oorkonden dat Jan Claesz erkende verkocht te hebben aan Jan Jansz van der Beets, scout van Purmereyndt, 4 deymat lants gheleghen binnen die banne van Oesthusen in den koeck (!) after Zibart Volkertz huus, welk lant hem van Alijt syns wijfs weghen te erve ghevallen is van Allart Melijsz, die dat wileneer ghecoft hadde van den zelven Zyvert voers. Onder voorwaarde dat dit land op dezelfde condities als te voren verhuurd zal blijven aan Zyvert voorn. Daar schepenen zelve geen zegel hebben, soe hebben wij ghebeden in tegenwoerdicheyt Pouwels Heijnesz ende Florijs Claesz, burghemeysteren der stede van Purmereynde, die daer mede bi waren, Jacob van Oesterwyck voers. [!], casteleyn van den huse tot Purmereijnd, desen brief over ons te bezeghelen aan welk verzoek Jacop casteleyn voers. voldoet. Ende om die meerre vasticheijt ende zekerheyt wie soe heb ic Jan Claesz [de schepen Jan Claesz is dus een andere persoon, daar hij geen zegel heeft en deze Jan Claesz, de verkoper, wel] voers desen brief mede bezeghelt mit myns selfs zeghel hier beneden ghehangen (vgl 1438-11-02, 1496-02-16)
Dirc Ysbrantsz, Beer Tymansz, Pieter Cruve, Aernt Vinck, Dirc Ubbelsz ende Jan Claesz, schepenen
1500~ (14) |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 88-93v/Diversorium Galileaconvent
Jaartallenindex
Item Van Heijntges Landen In Rietbroeck: Item van Jan Heynesz ghemeenlic gheheten Heynkelanden ende haer dijck legghet als ghi staet op oesteynde soe comt die Suyderwoudertoern op die ghevel van Broershuijs, dat is dat derde huus van dat eijnd van die Riep ende daer leit XVIII voet an die westzyde Jan Heijmsz gheheten Frederick Jan Willemsz kinderen en Trijn Pieter Bredis. Item dese voers. lande hebben noch XX voet dijcks noch op een ander plaets ende dese twie landen sijn tsamen 5½ deympt. Item noch van dit lant 4 voet dycks, daer lenden of syn an die noertsyde Heijn Claesz van Broeck ende an die suydside. Ende als ghi staet op die dijck soe comet Lammert Claesz van Broeck op Broker mollen. Item noch van Heyntgeslant 20 voet ende legghet soe wanneer ghi staet op die suydsyde soe comet onse dormiter van Galileen an die oestsijde neffen JAn Cluvershuus dat legghet over dat watertgen in den Riep. Ende daer sijn lenden of an die oestzijde Jan Remmetsz ende an die westsyde Claes Heijnesz weer. Item noch van desen landen 4 voet dijcks in die Wilnis an die oestsijde Claes Broeckmers ende an die westzijde Nan Jan Remmetsz
1510-12-02 |
G.A. Monnikendam Inv 154 fol 23/Diversorium Galileaconvent Monnikendam
Jaartallenindex
scout en scepenen in Rarop oorkonden dat Wilm Albertsz van Udam, erkent een compact gemaakt te hebben met de broeders van het convent van Galilee bi Monikendam als van den dyck gheleghen zuytwart van Udam op die naeste cromme ende sijn tsamen 45 voet dyck, van welke dyck lenden syn noord: Gheryt Outghersz van Monikendam, west: Jan Tedinc van Monikendam. Ende heeft Wilm Albertsz anghecomen om een sekere summe van pe..n (?) als van die voert 2 st, die Albert voers. daerof ontfanghen heeft, ende dese dyck voers. hebben die broeders voers. van een stucke lants geheten Volkenhem ende is gheleghen w.w. op Monckemeer, belend noord: Gheryt Outgersz en Jaen Teenck was, zuid: die Monikemeer. Belofte van Willem om deze dijk te houden op zijn kosten vrij van alle kosten zolang hij of zijn nacomelingen daar op woonachtig zijn of dattet huus daer op staat. Voorts verklaart Willem zich voldaan en betaald door de broeder van 4½ gld current
Claes Jacobsz, schout in Rarop, Jan Coppertsz en Willem Heijnesz, schepenen
1596 (VI) | Koedijk
R.A.H. O.R.A. 6218 fol 92, 93
Jaartallenindex
Guiert Garbrantsdochter schelt quyt Jan Cornelisz Brous van Oterlick een stucke weyland genaamd "Claes Claesz voorstuck" tot Oterlick, groot 8 geersen, belend noord: Guerte Geerijts weijt, zuid: de meen Vaert; - Jan Cornelis Broers schelt quyt Guiert Garbrantsdochter de ene helft van een stucke lants met de ackers, groot sijn deel omtrent 3½ snees, noord: Crijn, zuid: graft [achtergraft ?]; - oude Jan, Ariaen Jonge Janszoon, bekennen vercoft te hebben Cornelis Louwersz, goutsmit, poorter tot Alcmaer, een losrente van een hoofdsom van 100 Kar gld; - Thieus Jaspers, molenaer, scheldt quyt an Bouwen Pieter Heijnesz een hofstede daer Bouwen nu ter tyt op woont en selve betimmert heeft, gelegen "op de lange erfve", noord: het erf dat Thieus Jaspers nu noch toecompt, zuid: Marten Symonsz overgang van zijn huys tot de achtergracht. Dit erf streckende van de Voorgraft tot de Aftergracht; - Pieter Claesz en Jan Claesz als broeders en voogden van Syberich Claesdochter, kennen schuldig te wesen aan de kinderen van wijlen Jacob Gerritsz hopman, die somma van 683 Kar gld 2st, ter cause van de custing aan een stuk land gelegen in de Reekercooch in de ban van Warmenhuysen, zuid: Pieter Jan Claesz, van Alcmaer, noord: Hiljans [?] Jan Broers weduwe, van Outcarspel; - Jan Pieter Jacobsz de Loet [de Laet ?] kent schuldig te zijn Maerten Symonsz een somme van 27 gld 15st, te betalen maart 1597 ter cause van een koe; - Jan Hendricsz erkent schuldig te zijn Jacob Claesz, 10 [?] Kar gld