2 resultaten
1516-07-15 |
A.R.A. 490 no 76/Sent. Hof van Holland
Jaartallenindex
Daniel van Zyl en Cecilia van Zijlen contra de pater, mater en convente van St Mergriete zusterhuys te Amsterdamme. Impetranten zeggen dat aan wijlen hun broeder Jan van Zijl toebehoorden zekere 5 viertel lants in den ban van Linscoten, elk lant van hem in erfpacht gehouden werd voor 7 gouden Rins gld sjaars. Na het overlijden van Jan was dit land verstorven aan impetranten. Daar het wegens de Gelderse oorlog onveilig was om te Linschoten te "converseren", hadden zij echter den erfpachter niet gemaand. Nadien was hun ter ore gekomen dat "die gedaichden hunlieden verorden hadden tontfangen die voirs pachtern ende van t recht ende erfpacht van dien gespolieert de voors. impetranten". Dit vernamen zij echter eerst in t jaar 12, waarop zij zich bij het Hof beklaagd hadden. De gedaagden ontkenden dat impetranten ooit de possessie van die landen en renten bezeten hadden, want gedaagden hadden die altijd bezeten in een erfpacht van een Jan van Thielt. Het Hof verklaart eischers niet onvankelijk, en absolveert de gedaagden van den eisch
1428-10-20 |
R.A.H. Coll Aanw 203 fol 25/Memoriale Rosa I fol 10v
Jaartallenindex
genoemde heren schrijven aan de hertog, vorsten, baanrotsen, ridders, knapen, edelen, steden en alle goede luden "hoe dat bij openbaren geruchte ende meren [maren] die overal gespreijt ende gesecht worden tot onser kennisse gecomen is dat heer Adrijaen van Treslonge als verweerre des camps [d.w.z. als verweerder in het proces] dair Jan van Neck aenlegger of was, gecomen soude wesen opten 5e Oct l.l. binnen der stede van Brugge ende aldaar int openbaer te handen getogen ende vervolcht sonderlinge saken op Jan van Neck voorn. ende sinen borgen, grotelic tegendragende die ere van hun ende denselven sinen borgen, boven dedinge daerof gemaeckt ende verdedinct, ende oock boven quijtschelding bij den openen brieven ons gen. heren van Bourgondiƫ". Zij verzoeken den hertog dit geval ten spoedigste te onderzoeken en hen officieel in kennis te stellen van hetgeen te Brugge geschied is, ten einde die eere van Jan van Necke ende sinen borgen te bewaren. De heren voirs zonden aan here Adriaen van Treslong een brief door middel van Willem Abbe, geschreven door Henrick van der Goes in het bijzijn van Boudyn van Zwieten, tresorier. Willem Abbe voirs. bracht deze naar Mabuege waar here Adriaen zat en at in den Hove van Bloeijs, daer bi waren here Adriaens wijf, een van heren Robbrechts zonen, van Glymes, zijn meesterschermer en meer anderen. Hij overhandigde de brief toen heer Adriaen van tafel opstond. Toen hij deze gelezen had, zeide hij dat hij de heer van Montfoort heer Jan van Vianen en zijn vader zeer bedankte voor hetgeen zij daarin gedaan hadden en dat hij hen zeer liet groeten "ende dat ic voirt t beste daerin deden, want die here van Montfoorde zyn vader daerin geweest hadde, ende wat sij voir t beste dair voirt in deden, behoudelic synre eeren dat stonden hi hun. Mar up dien brief en woude hi nyet thuijs bliven, ende of dit dadinge niet voirt en ginge, dat sij dan bi him wouden comen. Ende vernamen sij yet vorder, dairaff begeerde hi dat men him dat terstont soude laten weten. Ende desgelycx vername hi yet dat soude hi him weder laten weten (vgl 1428-08-27, 1428-09-25, 1428-10-22)
Johan, Burchgrave van Montfoort, Johan van Vianen heer ter Noirdeloze, Roelant van Utkerke here van Eestert en Eemsrode, Jan van Heemstede, Jan bastairt van Bloys here van Treslonge, Gillis van Cralingen, Geryt van Zijl here tot Purmerende, ridderen, Jan van der Boechorst, knape