3 resultaten

1562-08-26 |

Ms Opstraeten III fol 1481/Gaasbeek
Jaartallenindex

Margriet Schrevel Gysbertsdochter na dode van haar moeder Agniet Romer Jacobsdochter, tot haer behoef voor ⅓ deel, mitsgaders ⅓ deel tot behoef van Romer, Cornelis, Willem, Hilleken, Catryn en Janneken, Henrick Cornelisz kinderen, geprocreert bij sijn wijff Peternelle Schreven Gijsbertsdochter, volgende testament van Agnies Romer Jacobsdochter voors, ut cracte van octroy dd 1550-03-06, 4 morgen met een hofstede te Abcoude proostije gerechte. Hulde: Gerrit Jansz Lauer behoudende Peternelle haer lyftochte. Noch Margriet dat ⅓ deel van ½ van 22 morgen lants genaemt Hogencamp

1428-10-22 |

R.A.H. Coll Aanw 203 fol 40-45v/Memoriale Rosa I fol 16v
Jaartallenindex

brief aan hertog Philips gericht door Johan, burchgrave van Montfoort, Johan van Vyanen heer t Noirdeloze en Jan bastairt van Bloijs in zake de dading des camps tussen Jan van Neck aanlegger, an die een zijde, ende here Adriaen van Treslong aan die ander zijde. Jan van Neck zou te Brugge een camp hebben met here Adriaen. De schrijvers van de brief schreven daarop een brief aan here Adriaen om dit te verhinderen, en zij brachten de zaak bij den de hertog die de heer van Egmond en heer Roeland van Utkerke opdracht gaf om zo mogelijk een dading aan te gaan. Als resultaat van hun werkzaamheden deed hertog Philips de geraamde camp teniet en ontsloeg de wederzijdse borgen. Jan van Neck begaf zich dus niet voor de camp naar Brugge, heer Adriaen deed dit echter wel onder voorwendsel dat hem van de dading en het te niet doen van de kamp door de hertog niets bekend was. Schrijvers van de brief zijn over deze gang van zaken zeer gebelgd, en stellen nu dat Jan van Neck die hoewel aanlegger van de camp, zich aan de dading had onderworpen, door een en ander zeer in zijn eer en goede naam is aangetast. Zij schrijven nu aan de hertog dat Jan van Neck in deze zaak geen enkele blaam treft. Eodem die schrijven Heynric here tot Wassenaer, Gillis van Cralingen, ridders, en Jan van der Boechorst, knape, aan den hertog dat zij als bemiddelaars in deze zaak willen optreden uit eigen initiatief en niet op verzoek van Jan Neck (vgl 1428-10-20)

1452-05-31~ |

Kroniek Hist Gen jg 1854 p 489
Jaartallenindex

Lambert Symonsz van Haerlem klaagt dat hij in het jaar 1441 op St Thomasnacht voor Midwinter, met zijn schip te Doesburg liggende door 14 gewapenden beroofd (was). Het waren s hertogen dienaren en burgers. Toen hij met zijn schip te Dieren lag, kwam Arnold van Goer, overste rentmeester van den lande aan boord. En op Kersavond, toen hij gewond en ziek lag, was Johan van Boitbergh komen vragen hoe het er mee ging. Intussen had hij kans gezien een bericht over zijn toestand naar Haarlem te zenden, die daarop aan de hertog van Gelre schreven. Daarop beval Johan van Boedbergh in tegenwoordigheid van Elbert van Alpen aan Arnoldus van Goer aan Lambert alles terug te geven wat hem ontnomen was. Hij kreeg van Arnoldus echter niets dan scheldwoorden. Toen Lambert op 1450-04-27 te Tiel lag, gaf Arnoldus hem in tegenwoordigheid van de abt van Marienweerd, van heer Johan van Vyanen ritter en mr Adolph van der Marck, hem een budel met 2 kapotte muntjes, zeggende dat hij de rest maar aan de hertog moest vragen die er een St Marie en een St Jansbeeld mee had doen vergulden. Lambert beschuldigde echter Arnoldus van Goor en Derick Schoen Swaen dat zij hem het zijne, tegen de wil van de hertog, niet teruggaven. Hij verzoekt nu der hertog om voldoening. Op de rug staat: item ontvangen van Arnoldes van weghen van syn weert Johan Buselman in den Helm, 15 R gld (16 oude brasp. voor de R gld) van alsulck afterwezen als mij van hem geschiet is tot een afkurting daerof. Dese daghe is geschiet over Arnoldus van Goer in den jaer ons Heren MCCCC ende XII des Woensdages na Pinxterdach