4 resultaten
1453-06-12 |
Inv Arch H. Geest te 's Hage dl I no 565 dl II regest 366
Jaartallenindex
schepenen in den Haghe oorkonden dat Symon Florysz verklaarde schuldig te zyn aan Russen Grijpers (of Grijpen ?) weduwe een rente van 20 schell Holl sjaars op zijn huis en erf tjegens het Barchhoff, belend oost: Aechte Jan van Limmens weduwe, west: Pieter van Bornen erfnaem. En verder nog op het huis en erf waarin hij nu woont in St Pieterstraat, noord: Katrijn Woutersdochter, zuid: Berwout bontwerker, oost: de Beeck. Oorspr. Inv no 565, in dorso: Symon Florysz Stal.., habet Dirc Joest, leertouwer, habet Adriaen Oedtsiersz. Up Martyn die procuroers dienaers huys Affteromme, 20 schell. Copie, in margine: habet anno 1557 Maertyn, procureurs dienaer, habet anno 1586: Jacques de Vyleers, habet anno 1613: Hans Maes
Wateringe, van der | 1353-01-31 (1352)
A.R.A. Leenkamer 32 Copie fol 44v/Reg EL 25 fol 28
Achternamenindex
hertog Willem beveelt heer Willem van der Wateringen, baljuw van Rijnland en het land van Woerden, om met het gerecht van Leyden, "te daghe dingen van onser wegen tjegens heren Gheryt van Poelgeest ende diegenen die op den huse van Poelgiest syn, en so wat si daer toe doen, dat sullen wi vaste ende gestade houden, ende gevel t dat ons dat huys te Poelgeest overgelevert worde mit den daghedinge, soe wat her Willem en onse gerechte voirs raden ende doen van dien huse is t te houden staende of te breken"
de heer van Egmond, Johannis de Noordeloose en Ysebrant Bertouts
1440-05-14 |
Memoriale Rosa dl VI no 267 p 498, no 401 p 558, no 418 p 566
Jaartallenindex
roerende jvr Dyeuwer Uterwyck tegens Gysbrecht van Vianen. Jvr Dieuwer klaagt op Gysbrecht dat deze hoer land twelk leen is en gelegen is bi der hoffstede van Heemskerck, gebruyct en bezit tegens riden ende recht en tjegens hoeren danc, nae inhout der voorwaerden van den pacht van denzelven lande tussen hen beyden gemaect. Gysbrecht antwoordt dat hij dit land met recht gebruict en zyn pacht altyd betaald heeft. De Raad beslist dat partijen in den Haag moeten terugkomen als de here van Ysselsteyn die nu in Vlaenderen is, zal zijn teruggekeerd en dat deze dan met Willem here tot Naeldwyc, rentmeester, Godschalc Oom en Jan van der Mye zullen pogen een vergelijk tot stand te bregen. Intussen zal Gysbert de pacht deponeren bij de schout van Haarlem; 1440-12-22: wordt Gysbrecht door de Raad veroordeeld om aan Dieuwer de verschuldigde pacht te betalen. Bovendien moet Gysbrecht haar voor haere costen die gebraken binnen de voirs. 12 nachten 5 Bourg. schilden betalen. Ongedateerd [1441-01-13]: collatie door Baroen van de principale quitantie dd 1441-01-07 van Jonker Dieuwer Uuterwyk, waarin zij verklaart uit handen van Pieter Florensz, schout van Heemskerk, 20 nobel (8 Beyers gld voor 3 nobel) ontvangen te hebben ter kwijting van een schuld van Gysbrecht van Vyanen. Geryt van Schoten, commandeur van St Jan te Haarlem, heeft deze brief op verzoek van Dieuwer bezegeld, omdat zij zelf niet over een zegel beschikt
1440-04-13 |
Memoriale Rosa dl VI no 251 p 487
Haarlem Algemeen
Dirck Albout was tegen 12 April j.l. ontboden om te antwoorden tegen Dirck Boudynsz en de procureur. Hem was bevolen dat hi met hem brengen soude al alsulke brieve als dair hij recht mede spreect voor schepenen van Haerlem op denzelven Dirck Boudynsz. Dirck Boudynsz en de procureur stellen dat Dirck Albout verbeurd heeft tegen de hertog 50 nobel overmits dat hij recht gesproken heeft tot Hairlem van goeden die denselven Dirc Boudynsz aenbestorven zijn van sijns wijffs moeder wege mit enen brieve die Floris van den Boeckhorst vader van den wijve van denselven Dirck Aelboutt hem gegeven heeft in tijden voirleden, in welke brief deselve Floris hem verbonden soude hebben tjegens Dirck Aelbout voorn. in een seker somme van gelde. Toen Dirk Albout en zijn vrouw voor de geestelijke rechter gescheiden zijn, werd bepaald dat de een tegen de ander nimmer enige aanspraak zouden maken op de goederen van de andere partij. Dat Dirck Albout nu toch aanspraak maakt op een brief afkomstig van zijn vrouw. Dirck Boudynsz en de procureur eisen overlegging van deze brief. De Raad beval Dirc Albout deze brief te tonen. Dirc Albout weigerde en liep boos weg waarbij hij de Raad onheus bejegende. Daar hij echter brieven van vrijgeleide had, kon de Raad daar niets tegen doen