Bedoelde u soms?
vercuylen | vergulden | vervallen | vervielen | vervolgen

11 resultaten

Ehze, van | 1355-07-15

Cleve-Mark Urkunden 1223-1368 no 398 p 220
Achternamenindex

Johan van der Eze, knape, ambtman van de graaf van Gelre op de Veluwe belooft zijn ambt trouw te vervullen

Everdingen, van | 1250

Brom regest no 1187
Achternamenindex

Diederik, proost van Oudmunster, verklaart zich over de goederen die Arold Snoye van Everdinghen van hem in leen heeft, en over de verplichtingen, welke deze dienvolgens moet vervullen

1492-10-04 |

G.A. Haarlem Inv I no 1542a Lade R/Arch Leprooshuis Haarlem
Haarlem Algemeen

schepenen in Haerlem oorkonden dat de Leproosmeesters Claes Lourisz, hun coster aldaar, als provenier aannemen. Zoolang het mogelijk is, zal hij zijn kosterschap blijven vervullen. Alleen over zijn zilverwerk, geld en kleinodiën zal hij mogen disponeren etc

Jan van Schoten (zegel: 1 en 4 een klimmende leeuw, 2 en 3 een kruis [van Zaenden]) en Dirrick Spijcker (keper beladen met 3 bloemen, rechts boven vergezeld van een zespuntige ster), schepenen

Palick | 1286-11-29

Ned Leeuw jg 03-1938 p 117/Dederick: Annalen Emmerich p 101
Achternamenindex

schepenen en burgers van Emmerik geven aan Bernardus dictus Palekonis het recht om buiten de stad een bierbrouwerij op te richten, waartegenover hij aanneemt de burgerplicht trouw te vervullen en zijn bier voor de gebruikelijke prijs te verkopen

1474 (3) |

Arch Abdij Egmond Vroonboek Vroonlanden bij Limmen fol 44v
Jaartallenindex

(vervolg) Item opten anderen dach in Januario anno LXXIV heeft Pieter Luijtgesz als voecht van sijn wijf Aef geloeft syn vroenlant te vercoepen dat hij myt syn wijf genoemen heeft, binnen sjaers. Des soe sal hij t Alcmer wonen moegen 1 jaer lanc. Item Rem Michielsz, Dirc Jan Voppenz ende Dirc Danielsz hebben een sceidinghe utgesproken tusschen Jan van Langen ende mij etc. Item anno LXXIV hebben Rem Michielsz ende Pieter Jan Teeten een da..gin (?) gemaeckt tusschen my ende Claes Jan Teeten ouder soen te weten dat Claes voers. verlof hebben sel buten te woenen ende sijn lant te vercopen en binnen dese tyt ende omn. Sanct, of dat lant bewonen binnen dese tyt voirs. Item Transl. Martini heeft Jan van Berkenroed tegens mijn here gedadinct van die verboernisse van Scapenven te weten dat Jan voirs dat vroen hebben sel 4 jaeren lanc ende Rem Michielsz sel voer Jan in dat boeck staen, ende binnen die 4 jaren soe sel Jan dit lant vercopen of myn here sijn moede hebben. Ende mijn here seide Jan soude daer gheen cost of hebben maer hij soude comen ende kennen dat die jaren om waren ende laten die voerwaerden vervullen

1462-06-16 |

A.R.A. Copie Leenkamer 39 fol 83/Reg Charolais fol 42v
Jaartallenindex

Anthonis Michielsz oorkondt dat Jan Hendricsz aan mynen here den grave van Charolais te kennen gegeven heeft hoe dat zijn voorvaders over menich jaar van de heerlijkheid Putten en Strijen gehouden hebben en hem aanbestorven is, een hoeve lants gelegen tot Muylkercke aen die Dussen, leen van Putten en Strijen in Zuythollandt. Welke hoeve lants een groot deel jaren bevloeijt gelegen heeft met meer ander land in den lande van Altena en in Zuythollandt. Ende het sij alsoe, dat omtrent over een jaar die voirs. hoeve mit veel van den anderen bevloyeden lande bedijckt zijn geweest, tot grooten coste, welke cost die voirs. Jan Hendriksz, overmits zynre armoede, niet mogende was te vervullen, waarom hij deze hoeve vercofte aan heer Adriaen van Hairler, ridder, en beloofde hem die op te dragen en over te geven. Hetgeen hij echter niet kon realiseren, daar de landen sedert de bevloeing niet aan de heren van Putten en Strijen verzocht waren. De graaf van Charolais vergunt hem nu deze overdracht bij brief van 1461-04-16. Uit kracht hiervan beleent mr Anthonis vervolgens op Jan Henricsz voorn. tot een recht erfleen. Deze draagt dit leen terstond weer over aan heer Adriaen van Hairler, die er vervolgens mee beleend wordt als leen van de heerlijkheid Putten en Strijen (vgl 1461-04-16)

present: Dirck van Zwyeten, Aerndt Spierinck van Welle, Jan Dedell, leenmannen van Holland, bij gebreke van leenmannen van Charolais

1541-03-14 |

R.A.H. Coll Aanw 120 Caput N.H. fol 180v
Jaartallenindex

supplicatie van Jan Brouwer en Hendrik Brouwer als voogt van Semeken Joachim Stickers kint, inhoudende hoe dat des suppliantens moeder ende grootmoeder, genaamd Aaf Claes Brouwers, poorteresse en inwoonster van Amstelredam in den jare 1535 als sij anders niet en wisten, gecoft en betaald heeft gehad van joncker heer Hendrick van Herune jongeheer van Gaasbeek etc, een losrente (losbaar den penninck 16) van 200 gouden Kar gld per jaar, verzekerd op al zijn goederen, speciaal op die overtocht tot Voorschoten, ende die goeden en thienden van der Made [er staat: Male], groot en cleyn. Joncker Hendrik had beloofd dat hij alle op het leen rustende lasten zou vervullen. Deze rente was geconfirmeerd 1535-08-28, waarbij suppliantens moeder met deze rente beleend was. Joachim Sticker als getrouwd hebbende Aef Brouwersdochter, wesende een uytheems persoon ende van buytenslands, den recht ende usantien van desen landen niet wetende noch verstaande. Aaf Brouwers had diens volgens nooit geweten dat Joachim deze rente in leen had gehouden. Aaf was nu 3 jaar geleden overleden. Buiten supplianten's weten werden toen de leenbrieven gedeponeerd bij de weeskamer van Amsterdam. De rente was sedertdien niet meer betaald. Zij probeerden vervolgens van de weduwe en erfgenamen van de heer van Gaasbeek de achterstallige rente van 400 Kar gld te innen. Zij wilden toen hun hypotheek executeren, doch bevonden toen dat zij niet met de rente beleend waren. Zij verzoeken nu alsnog met de rente beleend te worden. Tegen betaling van de costen en rechten wordt hun verlij toegestaan, gegeven in onser stede van den Bos, get. N. Nicolai

1393-06-17 |

R.A.H. Coll Aanw 46 fol 139v/Reg Albrecht V fol 88
Haarlem Algemeen

hertog Albrechts zeggen over Claes doot van der Meer en Jan Eylaertszoons quetsinge, daer Jan Eylaertssoon voir geloeft heeft te waren aen die een side, ende Willem Noests quetsinge ende Claes Diederic Jan Claes Diedericszoons quetsinge, daer Gheryt Jan Claes Diedericszoonszoon, Jan van der Laen Willemszoon van Tetrode, Claes Dirc s Pape zoons zoon ende Heinric Jacob Heynenzoonszoon voir geloeft hebben te waren aen die ander side. De hertog verklaart dat de reeds gemaakte zoen niet gehouden is. Claes Diederic en zijn magen zullen nu om de zoen te vervullen aan Jan Eylaertszoon en Claes zijns zoens maghe moeten geven 250£. Claes Diedert voors. zal een bedevaart moeten doen tot St Jacob in Gelissgen. Claes Diedert zal voorts kloosterwinninge moeten doen tusschen Maas en Zype voor Claes ziel van der Meer. Claes Didert voirs. wordt tevens voor eeuwig uit Haarlem gebannen, en zal hier niet mogen terugkeeren tenzij bi wille Jan Eylaertszoon voirs. ende bi wille Claes mage van der Meer, zyns zoens. Wat voorts de quetsing aan gaat die Jan Eylaertszoon en zijn magen deden aan Claes Diedert voirs in den Hage des Dinsdags na Pinxterdag lestleden, dit wordt aan Jan kwijtgescholden wegens de doodslag op diens zoon Claes van der Meer voorn. etc

1565-1566 |

Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl VI dossier 598
Jaartallenindex

kerkmeesters van Leimuiden contra Jan Heynricsz van Lomele, pastoor van Leimuiden, Heynrick Jansz, schout van Rynsaterwoude en Willem Palesteijn, baljuw van Rijnland, als gevoegden. In 1556 sloten de kerkmeesters van Leimuiden een overeenkomst met Job Gerritsz, aangaande de vervulling van het kapelaanschap van Leimuiden. Hij zou tegen 47 gld per jaar en vrije huisvesting 3x per week de mis lezen, naast de missen op zon- en feestdagen, biecht horen en de jeugd onderrichten. De pastoor Jan Heinricksz die tevens een herberg dreef, vervulde zijn ambt niet zoals het behoorde: hij betrad soms dronken de preekstoel en was in 1563-1564 een heel jaar woonachtig in Monnickendam zonder een plaatsvervanger aangesteld te hebben. De kapelaan Job Gerritsz vervulde zijn ambt ook niet plichtsgetrouw, maar gaf zich meer over aan "vogelen, visschen en bouwwerck". De kerkmeesters ontsloegen hem daarom op 1565-01-23 en stelden Aelbrecht Maertensz, sub diaken van St Pancraskerk te Leiden, aan om de diensten te vervullen. De pastoor keerde naar Leimuiden terug en wilde de kapellaan op Pinksterzondag 1565 beletten het epistel te zingen. De kapellaan overstemde de pastoor. De pastoor trok toen zijn misgewaad uit en ging kwaad achter het altaar zitten, tot grote verontwaardiging van de gelovigen. Job Gerritsz weigerde zijn ontslag. Provisor en deken van Rijnland stelden 1565-05-09 kerkmeesters in het gelijk. De pastoor legde de zaak voor aan het Hof van Holland. Bij hem voegden zich de baljuw ende schout van Rynsaterwoude, aanvoerende dat de ontslagen kapellaan door hen benoemd was. Het Hof stelde hen [pastoor c.s.] op 1566-03-27 in het gelijk, waarop kerkmeesters in appel gingen bij de Grote Raad. Lijsten van inwoners en van getuigen te Leimuiden

Jan Mourijnsz en Cornelis Aelbrechtsz c.s, kerkmeesters van Leimuiden

1535-1540 |

Grote Raad Mechelen Beroepen Holland dl VII dossier 691
Jaartallenindex

Bouwen Willemsz, Pieter Allaertsz, Aernt Willemsz en Floris Jansz, welgeboren mannen, mede namens de ander welgeboren mannen van Heemskerk (gevoegden), contra pachters en huisluiden van Heemskerk, schout en schepenen (gevoegden). Bouwen Willemsz weigerde zijn aandeel met verweerders in de gemene lasten te betalen; hij beriep zich daarbij op het feit dat hij een welgeboren man was. Zijn vader, Willem Kerstantsz, was een welgeboren man in Rynland en had zich later in Heemskerk gevestigd. Verweerders weigerden dit te accepteren en daagden Bouwen Willemsz voor het Hof van Holland. Op 1539-01-15 (1538) veroordeelde het Hof Bouwen om zijn goederen voorzover dat geen leengoederen waren, aan te brengen, opdat de verweerders hiernaar de aanslag konden berekenen; hij werd veroordeeld in de helft van de kosten, de andere helft werd gecompenseerd. Bouwen Willemsz ging in appel bij de Grote Raad, de anderen voegden zich bij hen. Hij beriep zich op het feit dat zijn vader zitting had in de Vierschaar van de baljuw van Rijnland, wat alleen aan de Welgeborenen was toegestaan. Verder stelde hij dat hij een ridderhofstede "Poelenburch" genaamd bewoonde. Wanneer de baljuw van Brederode [!?] wapenschouw hield, kreeg hij opdracht deze te verdedigen. Zijn vader noch hij warenooit (!) schepen van Heemskerk geweest, men kon welgeboren mannen niet verplichten dit ambt te vervullen. Hij legde een attestatie van baljuw en mannen van Rynland over dat zijn vader een welgeboren man was. Verweerders antwoordden dat de attestatie onvoldoende bewijs was, noodzakelijk was volgens hen een verklaring van 7 verwanten van zwaardzijde. Bovendien bedreef Bouwen landbouw en was een onwettig kind. Daarbij kwam nog dat zijn vader vroeger met hen een overeenkomst had gesloten, waarin hij zijn verplichtingen tegenover hen had afgekocht. verder was het welgeborenschap in Rijnland van andere aard dan in Kennemerland. Tenslotte zeiden ze dat al was hij een welgeboren man hij toch moest betalen. Welgeborenen werden collectief aangeslagen.